Door: Ruby Nefkens voor 'Meubel' op 7 juni 2010

Slaafse nabootsing en concurrentie

De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet, schoot door mijn hoofd bij het lezen van een recente uitspraak in de meubelwereld. Bedrijf X verwijt een voormalig agent en aandeelhouder Y van namaak, terwijl dit bedrijf zichzelf ook schuldig maakt aan namaak. Het geschil tussen X en Y wordt uitgevochten voor de rechter. Het gaat in dit geval over op Mart Stam of Breuer geïnspireerde stoelen met een buizen frame. Bij het uittreden als aandeelhouder en aftreden als agent heeft Y gezegd dat hij 'in dezelfde wereld' zou verder gaan en de meubelen van X niet te zullen kopiëren. 

X is van mening dat Y dit toch doet. Omdat haar stoelen niet nieuw of oorspronkelijk zijn baseert X haar claim niet op auteurs- of modelrecht, maar op slaafse nabootsing van haar stoelen. De stoelen lijken zoveel op elkaar dat er verwarring ontstaat bij de klant, aldus X. Y handelt daardoor onrechtmatig. 

De rechter begint zijn uitspraak met een vaststaand gegeven: van verwarringsgevaar kan pas sprake zijn als de nagebootste stoel zich door haar uiterlijk onderscheidt van op de markt zijnde stoelen. Het moet een eigen plaats op de markt hebben. Hoe meer soortgelijke stoelen, hoe minder onderscheidend een stoel is. Y heeft in de procedure aangetoond dat er veel aanbieders met soortgelijke stoelen op de markt zijn, die allemaal gemaakt zijn op basis van dezelfde frames, die los te koop zijn. De rechter is dan ook van mening dat de stoelen van X niet bijzonder onderscheidend zijn. Bij een vergelijking van de stoelen stelt de rechter vervolgens ook vast dat er op voldoende punten door Y is afgeweken van de vormgeving van de stoelen van X. Het feit dat er meerdere soortgelijke stoelen op de markt zijn en X kennelijk niet heeft kunnen aantonen de eerste te zijn met een dergelijke stoel, speelt haar in deze zaak parten. 

Maar het gaat ook verder nog mis. X verwijt Y dat hij naast het kopiëren van haar stoelen ook oneerlijke concurrentie bedrijft. Alhoewel er geen sprake is van een concurrentiebeding, meent X dat Y toch onrechtmatig handelt omdat Y dezelfde klanten en leveranciers met dezelfde producten benadert. De rechter ziet dit anders. Concurrentie is bij het ontbreken van een concurrentiebeding pas onrechtmatig wanneer Y stelselmatig dezelfde klantenkring zou bewerken met de bedoeling hen te bewegen de relatie met X te verbreken. Dit bleek niet door X te kunnen worden aangetoond. Bovendien had Y al zo lang een eigen plaats op de markt dat hij kon aantonen al over een eigen klantenkring te beschikken. 

Moraal van het verhaal: Om op te kunnen treden tegen namaak is het noodzakelijk zelf met onderscheidende producten op de markt te komen. Optreden tegen concurrerende activiteiten kan pas slagen als een schriftelijk non-concurrentiebeding is overeengekomen. 

Ruby Nefkens, nefkens@vandersteenhoven.nl

Aan de samenstelling en inhoud van dit artikel is de meeste zorg besteed. Ruby Nefkens en Van der Steenhoven advocaten aanvaarden geen verantwoordelijkheid ten aanzien van op basis van dit artikel genomen beslissingen, tenzij zij vooraf in concrete gevallen zijn geraadpleegd.