Door: Selale Dogan voor 'Architectenweb Magazine, nr. 36 ' op 14 september 2010

Het auteursrecht van de architectwerknemer

De meeste architecten werken niet zelfstandig, maar zijn verbonden aan bureaus. Soms als (mede-)eigenaar, vaak als werknemer. Aan wie komt het auteursrecht op het ontwerp toe dat in dienstverband is ontstaan en waarom?

Elk ontwerp (werk) dat voldoende oorspronkelijk en origineel is en de creatieve inspanning van de ontwerper belichaamt, komt in aanmerking voor het auteursrecht. Dit auteursrecht, uiteengezet in de Auteurswet, geeft de maker het recht dat werk commercieel te exploiteren, maar geeft ook zoge­naamde persoonlijkheidsrechten. Zo kan de maker ingrijpen als zijn eer en goede naam worden aangetast. 

Maar heeft de architect die als werknemer een bouwwerk ontwerpt ook die rechten? 

Casestudie Haarlem
In 2001 heeft zich een zaak afgespeeld over de rechten van de architect. De gemeente Haarlem had aan de hand van een aantal ontwerpen van een architect het Concertgebouw verbouwd. De architect was voor de duur van het project aangesteld als stadsarchitect. Na een aantal jaren besloot Haarlem het gebouw te verbouwen en is voornemens de ontwerpen van de architect te slopen. De architect is het daar niet mee eens. Hij meent dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijkheidsrechten. De gemeente vindt dat onzin, de architect was immers bij haar in dienst. De gemeente is dus de maker en de persoonlijkheidsrechten komen haar toe en niet de architect. 

Werkgeversauteursrecht
Onder bepaalde voorwaarden geldt niet de architect­werknemer die het werk daadwerkelijk heeft gemaakt als maker van het werk, maar de werkgever (het architectenbureau). Die werkgever beschikt in dat geval over alle auteursrechtelijke bevoegdheden. Daarvoor is wel nodig dat er een dienstverband bestaat; er moet een gezagsverhouding bestaan tussen de architectwerknemer en de werkgever. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake bij architectfreelancers. Ook moet het gaan om werken die binnen de taakomschrij­ving van de werknemer vallen. Als de architectwerkne­mer onder werktijd een verhalenbundel schrijft over het wel en wee op het architectenbureau dan blijft hij daarvan de auteursrechthebbende. 

De werkgever is dus de fictieve maker van het werk dat verricht is in dienstverband. Dat doet misschien een beetje merkwaardig aan, met name als die werkgever, of beter gezegd de eigenaar van het architectenbureau, zelf niet (direct) aan het werk heeft bijgedragen. Toch is het niet zo vreemd, want de architectwerknemer is immers aangenomen om bepaalde creatieve werkzaamheden te verrichten voor de werkgever en wordt daarvoor betaald. Bovendien komen de bouwwerken (of de ontwerpen daarvan) vaak tot stand in teamverband, waardoor het uiteinde­lijke ontwerp niet aan één specifieke persoon toe te schrijven is. De meest praktische oplossing is dit collectieve werk als het intellectuele product van de werkgever te presenteren, zowel buiten als binnen het bureau. Als bijvoorbeeld inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht op het bouwwerk, hoeven niet alle individuele werknemers op te treden, maar neemt het architectenbureau actie. Dat is een voordeel in externe relaties. Intern kan zo worden voorkomen dat een van de werknemers ineens besluit de rest te verbieden het werk te gebruiken dat hij heeft voortgebracht. Dat zou zijn collega-werknemers blokkeren het werk verder te ontwikkelen of te verbeteren. 

Het is overigens mogelijk andere afspraken te maken over de auteursrechten. Dit kan zowel individu­eel door middel van de arbeidsovereenkomst, als collectief via de CAO. In de huidige architecten-CAO is daar echter geen gebruik van gemaakt en ook individueel is dat niet gebruikelijk. 

Persoonlijkheidsrechten
Vanuit commercieel oogpunt - vanuit het oogpunt van de exploitatierechten - is het daarom goed te verklaren dat de auteursrechten aan het architectenbureau toevallen. Maar hoe zit het met de persoonlijkheids­rechten? Het ontwerp komt immers tot stand door de persoonlijke en individuele invulling van die specifieke architect. De architect zou op grond van de persoon­lijkheidsrechten op zijn minst in zijn creatie erkend moeten worden en hij zou moeten kunnen ingrijpen als zijn werk wordt aangetast. Deze rechten vloeien voort uit de hoogstpersoonlijke band die de architect heeft met (dat deel van) het werk. Daarin voorziet de Bond Nederlandse Architecten (BNA) ook enigszins in haar gedragregels: "De architect geeft erkenning aan het aandeel dat de collega('s) en medewerker(s) in het ontwerp hebben gehad." De BNA heeft een nader advies gegeven over de wijze waarop en welke namen vermeld moeten worden, waaronder in ieder geval de namen van de architectwerknemers. Het gaat hier echter om een vrijblijvende regel waaraan geen sanctie is verbonden. Bovendien is het een BNA-regel die alleen geldt voor de leden. Dat maakt de regel niet effectief te handhaven. 

Fictief of niet, de werkgever is volgens de Auteurs­wet de maker. Naar de letter van de wet komen de persoonlijkheidsrechten dan ook toe aan de werkgever. Toch lijken deze persoonlijkheidsrechten bij uitstek een onderwerp waarop architectwerknemers aanspraak moeten maken. De architectwerknemer heeft echter weinig aan de persoonlijkheidsrechten als het werk uitsluitend onder de naam van het architectenbureau bekend is gemaakt. Bij verminking of verandering van dat werk wordt namelijk niet zijn eer en goede naam aangetast, maar die van het bureau. Maar wat nu in de situatie dat het voor de werkgever niet opportuun is op te treden tegen een verminking van het werk, terwijl de architectwerknemer dat wel wil? Of de architectwerk­nemer in een bepaalde situatie aanspraak kan maken op de persoonlijkheidsrechten is afhankelijk van de contractuele afspraken tussen de werkgever en de architectwerknemer en van wat redelijk is gezien de omstandigheden. Als de naam van de architectwerkne­mer wel aan het werk verbonden is, dan moet het volgens mij voor hem mogelijk zijn zich te beroepen op die persoonlijkheidsrechten, niet alleen in externe verhoudingen maar ook in interne. Dit onderwerp van de persoonlijkheidsrechten is in de rechtspraak niet duidelijk uitgemaakt. 

De uitspraak
Wat betekent dit in de zaak tussen de gemeente en de architect? De recht­bank bepaalde dat het werkgeversauteursrecht in deze situatie niet van toepassing was. De architect had alle vrijheid gehad bij de vormgeving van zijn ontwerpen. De gemeente had daar geen zeggenschap over. De architect was dan ook de maker van het werk. Het hoger beroep dat hierna werd ingesteld, wees niet anders uit. Het hof constateerde ook een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van de architect. De gemeente had in haar nieuwe plannen het werk van de architect moeten erkennen; zij was dus schadeplich­tig tegenover de architect. De architect had echter geen schadevergoeding gevorderd, dus die kon hem niet worden toegewezen.

De architectwerknemer is aangenomen om een bepaald bouwwerk te ontwerpen voor zijn werkgever. De werkgever is vrij dat commercieel te exploiteren. Het grootste belang van een architect lijkt te liggen bij zijn morele rechten, de persoonlijkheidsrechten. Het bouwwerk vormt onderdeel van zijn oeuvre. Het is voor de architectwerknemer dan ook belangrijk niet volledig uit beeld te verdwijnen, door binnen de dienstbetrekking zijn persoonlijkheidsrechten te behouden, terwijl de exploitatierechten aan de werkgever toekomen. 

Şelale Doğan, dogan@vandersteenhoven.nl

Aan de samenstelling en inhoud van dit artikel is de meeste zorg besteed. Selale Dogan en Van der Steenhoven advocaten aanvaarden geen verantwoordelijkheid ten aanzien van op basis van dit artikel genomen beslissingen, tenzij zij vooraf in concrete gevallen zijn geraadpleegd.