Door: Arthur Claassen op 19 oktober 2009

De advocaat in de AOW

De kogel is door de kerk. De AOW leeftijd zal de komende decennia stapsgewijs opgetrokken worden naar 67. Met uitzondering van de zogenaamde 'zware beroepen'. Een discussie is geboren. Kan het onderling vergelijken van mensen en hun beroepen niet alleen maar tot scheve gezichten leiden? Want iedereen heeft het zwaar. Donner stelde eerder dat iedereen maar denkt aan stratenmakers, maar dat het ook zou kunnen gaan om bijvoorbeeld balletdansers. Point taken. Een balletdanser van 66? Ik denk het niet. Maar het leidt natuurlijk tot de onvermijdelijke vraag wie hier nu een zwaar beroep heeft. Of eigenlijk: wat is de definitie van een zwaar beroep?

Advocaten zijn dol op definities. Geen advocaat die zich niet af en toe schuldig maakt aan het creatief oprekken of restrictief afbakenen van een definitie, afhankelijk van wat hem (of eigenlijk: u) het beste uitkomt. Een goed oordeel begint echter met een moment van introspectie. Hebben advocaten een zwaar beroep? En wat vinden ze erzelf van? Het lijkt mij zeer interessant om daar eens empirisch onderzoek naar te verrichten. Is een stressgevoelig beroep niet 'zwaar'? Heeft een mentale belasting invloed op het fysiek? Kan de geest ook onherstelbaar slijten? Al die procedures en adviezen, krassen op de ziel? We vragen het aan een ervaren advocaat.

De Joodse advocaat (en schrijver) te Amsterdam Abel J. Herzberg (1893-1989), ervoer zijn beroep bepaald niet als een gemakkelijke opgave. En hij wist wat het woord 'zwaar' betekende. Het leven voerde hem door Westerbork en Bergen Belsen. In 1972 schreef hij zijn memoires ('Om een lepel soep'). Het boekje is zeer de moeite van het lezen waard. Over de advocatuur het volgende:

Hinderlijk is de ervaring dat de advocaat nog met zoveel zorg zijn standpunt kan kiezen, maar dat, als het erop aankomt, een ander bepaalt of het juist is of niet. Dat doet dan ook de rechter, die dan ook respect verlangt en daartoe op een verhoging plaatsneemt. De advocaat mag wel beweren, dat hij zich de gelijke voelt van de heren die boven hem tronen, dat neemt niet weg dat hij altijd in zijn woordenkeus van beneden naar boven spreekt, enigszins als een gelovige in de kerk. De rechter is wel geen God, maar de advocaat moet niet minder buigen, ook als hij van zijn eigen gelijk overtuigd is. Dat maakt het procederen vaak tot zulk een ondankbare taak.

Advocaten hebben in de regel een slechte naam. Dat wil zeggen dat men hen niet graag mag, een beetje van hen griezelt. Een wonder is het niet. Want een advocaat heeft altijd een tegenpartij, en die ziet hem als een soort monster, dat het op zijn belang gemunt heeft. Nu moet de eerste man nog geboren worden die niet kwaad wordt als zijn belang wordt bedreigd. Verliest hij zijn zaak, dan zet zijn kwaadheid zich om in wrok. Wint hij, dan komt daar nog een dosis minachting bij jegens de man, die hem de voet dwars heeft gezet. Dokters hebben het in dit opzicht veel beter. Die hebben altijd maar een tegenpartij, te weten niemand minder dan de dood. Maar de dood houdt zijn mond, of hij nu wint of verliest. De advocaat staat bij zijn client ook maar zolang in een goed blaadje, als hij successen voor hem behaalt. Doet hij dat niet, dan wordt het blaadje omgeslagen. En als hij daar bovenop nog eens zijn declaratie indient, is hij op zijn beurt tegenpartij geworden, hetgeen niet zo ver verwijderd is van 'vijand'.

Op veel waardering hoeft de advocaat volgens Herzberg dus al niet te rekenen. Blijft de vraag: wat is nu een zwaar beroep? Wellicht is een oordeel hierover niet los te zien van de eigen leeftijd. Want met de leeftijd komt de ervaring en dus de wijsheid. Ik schort mijn mening daarom maar op totdat ik zelf 65 ben. In mijn geval is dat het jaar 2046. U houdt mijn antwoord tegoed.

claassen@vandersteenhoven.nl