Door: Jorinde Dumans op 20 april 2011
Overleden werknemer: wel/geen beëindigingsvergoeding?
Ja, zegt de kantonrechter. Werknemer laat in januari aan zijn werkgever weten dat hij gebruik maakt van de vrijwillige vertrekregeling in het Sociaal Plan. Werkgever en werknemer sluiten daarop een beëindigingsovereenkomst op grond waarvan de arbeidsovereenkomst "met wederzijds goedvinden" eindigt per 1 maart onder toekenning van een beëindigingsvergoeding van ruim € 70.000,= bruto aan werknemer. Op 28 februari om 21.00 uur, drie uur voor het afgesproken einde van de arbeidsovereenkomst, overlijdt werknemer. Op grond van de wet eindigt de arbeidsovereenkomst hierdoor automatisch. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 28 februari en niet per 1 maart. Werkgever weigert dan ook om de beëindigingsvergoeding te betalen. Terecht?
De erven van de werknemer vorderen in een procedure nakoming van de beëindigingsovereenkomst en daarmee betaling van de overeengekomen beëindigingsvergoeding. De werkgever stelt dat er geen vergoeding is verschuldigd omdat de arbeidsovereenkomst niet "met wederzijds goedvinden" is geëindigd. De overige verweren die de werkgever aanvoert zijn voor nu minder interessant.
De kantonrechter vindt dat uit de beëindigingsovereenkomst volgt dat tegenover de instemming van werknemer met het einde van zijn arbeidsovereenkomst, de verplichting staat tot het betalen van de beëindigingsvergoeding. Doordat die instemming is gegeven, is de werkgever gehouden de vergoeding te betalen. Het verweer van werkgever dat het een voorwaardelijke verbintenis betreft en dat met het overlijden van werknemer niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, slaagt niet. In de beëindigingsovereenkomst zijn die voorwaarden namelijk niet expliciet opgenomen.
Het lijkt er wellicht op dat de kantonrechter de erven van de werknemer tegemoet heeft willen komen. Belangrijker is het of de redenering van de kantonrechter juridisch juist is. Dat het recht op de beëindigingsvergoeding ontstaat met de instemming van de werknemer - en niet met het einde van de arbeidsovereenkomst zelf - is mijns inziens juist. Dat betekent dat het sluiten van de beëindigingsovereenkomst direct recht geeft op de daarin opgenomen beëindigingsvergoeding. Er valt te twisten over de juistheid van de redenering van de kantonrechter dat de beëindigingsovereenkomst geen voorwaardelijk karakter heeft. Verdedigbaar is dat de beëindigingsovereenkomst altijd de voorwaarde van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op de afgesproken einddatum impliceert. Met het overlijden verliest de beëindigingsovereenkomst in dat geval zijn werking.
Hoewel de uitkomst van de uitspraak van de kantonrechter voorbij gaat aan het doel van de beëindigingvergoeding - was dat immers niet het compenseren van het verlies aan inkomen van de werknemer? - is de redenering die aan de uitkomst ten grondslag ligt juist. Het oordeel van de kantonrechter is bovendien in lijn met eerdere rechtspraak. Zo oordeelde het Hof Amsterdam dat het overlijden van een werknemer nadat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is uitgesproken, maar vóór de door de kantonrechter bepaalde einddatum, dat de in die beschikking aan de werknemer toegekende ontbindingsvergoeding gewoon verschuldigd was.
Het opnemen van de voorwaarde in de beëindigingsovereenkomst dat de vergoeding niet verschuldigd is wanneer de werknemer voor de afgesproken einddatum komt te overlijden, komt in de praktijk voor maar wordt doorgaans als weinig sympathiek ervaren. Hetzelfde resultaat wordt bereikt door in de beëindigingsovereenkomst op te nemen dat de beëindigingsvergoeding aan werknemer alleen wordt betaald indien de arbeidsovereenkomst op de overeengekomen einddatum met wederzijds goedvinden eindigt. Zo blijkt weer het belang van een zorgvuldige formulering en dat het gebruik van een standaardcontract risicovol kan zijn.
Jorinde Dumans, advocaat arbeidsrecht, dumans@vandersteenhoven.nl






