Door: Tjarda de Wilde op 31 oktober 2011
Blame the bestuurder!
Als ondernemingsrechtadvocaat krijg ik regelmatig te maken met vragen over bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij kan het gaan om interne aansprakelijkheid, waarbij de BV (of een andere rechtspersoon, maar voor het gemak beperk ik mij nu even tot de BV) meent dat de (doorgaans voormalige) bestuurder zijn taak heeft verwaarloosd waardoor de vennootschap schade heeft geleden. Maar het kunnen ook kwesties van externe aansprakelijkheid zijn: derden (zoals schuldeisers van de BV) die de bestuurder wensen aan te spreken. Ik krijg vragen van alle kanten. Van cliënten die vrezen dat zij persoonlijk aangesproken zullen worden voor een schuld van de BV waar zij bestuurder van zijn. Of juist andersom: cliënten die een vordering (menen te) hebben op een BV, vrezen dat deze geen verhaal zal bieden en zich dan tot de bestuurder willen wenden. En gezien de uitgebreide rechtspraak op dit gebied is het niet alleen in mijn praktijk een 'hot topic'.
Een van de overwegingen voor een ondernemer om een BV op te richten is het feit dat er rechtspersoonlijkheid ontstaat, waardoor de BV over een eigen vermogen kan beschikken en ook zelf handelingen kan verrichten (zoals het sluiten van een koopovereenkomst). Daarvoor is de BV dan ook zelf aansprakelijk. Zo houdt de ondernemer de zaken gescheiden van zijn privévermogen en kunnen schulden van de BV in principe niet op hemzelf verhaald worden. Er zijn echter grenzen. De BV wordt dan wel gezien als een aparte, zelfstandig handelende entiteit, maar in feite is zij niets meer dan een fictie. Alle handelingen van de rechtspersoon worden verricht door een natuurlijk persoon, die daarbij handelt namens en - zo hoort het in ieder geval - in het belang van de betreffende BV. Er zijn gevallen denkbaar waarbij de bestuurder zich zodanig onzorgvuldig gedraagt dat hij zich niet meer kan verschuilen achter de eigen identiteit van de rechtspersoon en persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schuld van de BV. Daarbij moet wel bedacht worden dat niet iedere onopzettelijke onhandigheid tot aansprakelijkheid hoeft te leiden. Centraal staat de 'ernstige verwijtbaarheid': kan de bestuurder van het gebeurde een ernstig verwijt gemaakt worden? Een bekende norm om de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder jegens schuldeisers te toetsen is de Beklamel-norm, genoemd naar een arrest van de Hoge Raad uit 1989 waarin deze norm min of meer voor het eerst werd geformuleerd. Op grond van deze norm handelt een bestuurder van een kapitaalvennootschap (BV of NV) onrechtmatig jegens een schuldeiser van de vennootschap indien de bestuurder ten tijde van de transactie met de schuldeiser wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de betreffende schuldeiser als gevolg van deze wanprestatie zou lijden. Kort gezegd: een bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien hij de vennootschap (te) lichtvaardig heeft verbonden.
Gaat het in de meeste gevallen om geschillen van puur financiële aard (een schuldeiser die zijn rekeningen niet betaald krijgt), een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van afgelopen zomer laat zien dat de casus ook buitengewoon schrijnend kan zijn. In die kwestie ging het om een BV die onder meer een klimmuur exploiteerde. Eiser bezocht deze klimmuur, maar liep door een val van bijna acht meter ernstig en blijvend letsel op. Hij bereikte een schikking met de BV over vergoeding van zijn schade. BV kwam echter niet over de brug en bood geen verhaal. Verder bleek dat de door de BV gesloten aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven door de verzekeraar tussentijds was beëindigd en er geen nieuwe verzekering was afgesloten. Eiser stelt vervolgens de bestuurder persoonlijk aansprakelijk. De Rechtbank is het met eiser eens. Van een bedrijf dat zich toelegt op het aanbieden van risicovolle activiteiten mag verwacht worden dat zij zich van een deugdelijke ongevallenverzekering voorziet. Deze had de BV niet (meer) en daarvan kan volgens de Rechtbank de bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt, nu deze welbewust had besloten de klimactiviteiten zonder verzekering voort te zetten mét de wetenschap dat de BV geen verhaal zou bieden voor eventuele schade. Opvallend is nog dat de Rechtbank ook waarde hecht aan de attitude van de bestuurder na het ongeval en tijdens de procedure. Zo had de bestuurder besloten niet op de geplande zitting te verschijnen, omdat hij het kennelijk belangrijker vond om naar een 'recreatief tennistoernooi voor senioren' (ja, dat staat er echt!) te gaan.
Zoals gezegd zijn er in de rechtspraak vele voorbeelden van gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid. De ultieme juridische dooddoener, namelijk 'Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval', gaat ook hier weer op en dat maakt het juist zo interessant. Dat betekent ook dat mijn stoomcursus bestuurdersaansprakelijkheid bij lange na niet volledig is. Heeft u vragen? Ik beantwoord ze graag. Fijne week!
Tjarda de Wilde, dewilde@vandersteenhoven.nl






