artikelen

artikelen

Jan van der Steenhoven, 1 december 2009

CBR moet reorganisatiebesluit intrekken
De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (OK) heeft op 9 november 2009 uitspraak gedaan in een geschil tussen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en haar Ondernemingsraad (OR). Een door het CBR voorgenomen besluit tot reorganisatie moet ingetrokken worden en de gevolgen ongedaan gemaakt. De OR werd grotendeels in het gelijk gesteld. Dat komt niet zo vaak voor in dergelijke geschillen. Wat was er aan de hand? 

CBR bereidt al vanaf begin 2008 een ingrijpende reorganisatie voor die met inkrimping van het personeelsbestand (aantallen FTE's) gepaard moet gaan. Tegelijkertijd staat vast dat veel medewerkers structureel over moeten werken en dat er belangrijke, zij het wisselende, hoeveelheden externen (uitzendkrachten, gedetacheerden) worden ingehuurd om CBR-taken uit te voeren. 

CBR heeft een adviesaanvraag op hoofdlijnen en een definitieve adviesaanvraag bij de OR neergelegd; op de eerste volgde een positief advies met kanttekeningen en een reeks vragen; op de tweede -definitieve- volgde een negatief advies vergezeld van een reeks vragen, in het bijzonder over de precieze aantallen en de verhouding tussen "eigen" FTE's , externe FTE's en de mate waarin arbeidsplaatsen moesten vervallen. Daarnaast was er een verschil van inzicht over de mate waarin de OR (nog) zou kunnen adviseren over de -uitgestelde- reorganisatie van de omvangrijke afdeling medische administratie ("afdeling medisch"). CBR had de OR toegezegd op dit punt een "bovenwettelijk" adviesrecht toe te kennen indien die reorganisatie (al dan niet als uitvloeisel van de nu ter discussie staande reorganisatie), alsnog in 2010 uitgevoerd zou worden.

Waarom bovenwettelijk? Omdat geredeneerd zou kunnen worden dat de definitieve reorganisatie van de afdeling medisch een uitvloeisel van de reorganisatie in 2009 is en daarmee op grond van artikel 25 lid 5 WOR impliciet niet adviesplichtig zou zijn. De OK vond met CBR, om met dit onderdeel van de klacht van de OR te beginnen, dat de toezegging van CBR voldoende waarborgen bood voor een nader advies en dat CBR in dit opzicht niet in redelijkheid niet tot het genomen besluit had kunnen komen. In zoverre kreeg de OR dus ongelijk, maar dit baatte CBR niet. De OK oordeelde namelijk naar aanleiding van de tweede klacht dat de opeenvolgende informatie over (de verhouding van) aantallen eigen en externe FTE's dermate onduidelijk was, dat het begrijpelijk was dat de OR de weg kwijt was in de veelheid van cijfers. Letterlijk overweegt de OK: "Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het advies van de Ondernemingsraad tot stand is gekomen op grond van onjuiste veronderstellingen die zijn gegenereerd door de wijze waarop de informatie door de ondernemer is gepresenteerd. Dit heeft meegebracht dat de Ondernemingsraad, niettegenstaande de uitvoerige voorlichting door de bestuurder, de zeggenschap niet heeft kunnen uitoefenen in de mate waarin hij daar aanspraak op heeft."
In het bijzonder de laatste passage: ("...de Ondernemingsraad, ..., de zeggenschap niet heeft kunnen uitoefenen in de mate waarin hij daar aanspraak op heeft.") is opmerkelijk omdat dit geen criterium is dat in artikel 25 en 26 van de WOR met zoveel woorden is terug te vinden. De OK vertaalt dit in de uitspraak naar het in de wet wel voorkomend criterium "...dat de ondernemer bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.", dat in artikel 26 lid 4 van de WOR te vinden is. 
In artikel 26 lid 1 WOR komt wel voor als beroepsgrond: "De Ondernemingsraad kan bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit van de ondernemer als bedoeld in artikel 25 5e lid, ... hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die, ware zij aan de Ondernemingsraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht."
Maar deze beroepsgrond gaat eigenlijk over het boven water krijgen van informatie die ertoe geleid zou hebben dat de OR niet positief, maar negatief geadviseerd zou hebben. Maar in dit geval had de OR al negatief geadviseerd. 

Voor ondernemers die willen reorganiseren en advocaten die hen daarbij helpen in WOR-zaken is deze uitspraak van groot belang (hoewel partijen nog in cassatie kunnen bij de Hoge Raad). De aan de OR verstrekte feitelijke gegevens op basis waarvan een adviesaanvraag wordt gedaan, moeten helder en eenduidig zijn. Dat is des te belangrijker bij een reorganisatietraject dat relatief lang duurt zoals hier bij CBR (tussen de eerste stappen op weg naar de reorganisatie en het verzoek aan de Ondernemingskamer zit ruim 1½ jaar).

Jan van der Steenhoven
jan@vandersteenhoven.nl
+31 (0)6 43 36 80 73

Aan de samenstelling en inhoud van dit artikel is de meeste zorg besteed. Jan van der Steenhoven en Van der Steenhoven advocaten aanvaarden geen verantwoordelijkheid ten aanzien van op basis van dit artikel genomen beslissingen, tenzij zij vooraf in concrete gevallen zijn geraadpleegd.

 

Contact opnemen met ons?
 

  +31 (0)20 607 79 79
 

  mail@vandersteenhoven.nl