artikelen

artikelen

Ruby Nefkens voor 'ArchitectuurNL' nr. 5 – 2015

Recht op billijke vergoeding

Op dit moment is een discussie gaande over uitbuiting van architecten. Dit zou onder andere het geval zijn bij selectie van bureaus bij aanbestedingen. Een klein onderdeel pak ik daarvan op. Namelijk het maken van ontwerpen in de gunningsfase of bij het meedoen aan een pitch.

Bekend is dat slechts één bureau de opdracht kan krijgen en dat een aantal dus afvalt. De vergoeding die de afvallers voor hun ontwerpinspanningen hebben verkregen is vaak zeer laag. Terwijl er enorm veel tijd en energie in gestoken wordt. De vraag is of daar niet iets aan te doen is. De nieuwe wetgeving op het gebied van Auteursrechtcontracten die per 1 juli jl. in werking is getreden biedt de mogelijkheid om vast te laten stellen wat een billijke vergoeding is in het concrete geval.

Op grond van artikel 25c Auteurswet heeft de maker, dus ook de architect, recht op een billijke vergoeding voor de verlening van de exploitatiebevoegdheid van zijn werk.  Van exploitatie van het werk van een architect is sprake als de opdrachtgever het werk doorverkoopt aan eindgebruikers. Wanneer er sprake is van een ontwerp voor een opdrachtgever die tevens eindgebruiker is, is geen sprake van exploitatie. De architect heeft in die laatste gevallen dus niet dit recht op een billijke vergoeding.

Twee auteursrechthebbenden zijn uitgezonderd van dit recht op een billijke vergoeding. Het betreft de auteursrechthebbenden in de zin van artikel 7 of 8 van de Auteurswet. Dat is de werkgever bij wie het auteursrecht terechtkomt omdat een architect in loondienst het werk heeft gemaakt. En de openbare instelling, vereniging, stichting of vennootschap, die een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij een natuurlijk persoon als maker er van te vermelden.

Wanneer de architect zijn auteursrecht niet overdraagt en er voor zorgt dat zijn naam genoemd wordt bij het werk (op werktekeningen etc.), dan kan hij aanspraak maken op een billijke vergoeding voor zijn ontwerpwerkzaamheden bij exploitatie van zijn werk.

Kan deze billijke vergoeding vervolgens niet door de architect worden afgesproken omdat hij een slechte onderhandelingspositie heeft, dan biedt het nieuwe recht op een billijke vergoeding twee mogelijkheden.

De eerste mogelijkheid is dat de architect zich kan wenden tot de rechter. De rechter zal dan, rekening houdend met de omstandigheden van het concrete geval, moeten oordelen over de billijkheid van de vergoeding. Denkbaar is dat hierover een proefprocedure wordt gevoerd financieel ondersteund door belanghebbenden. Wat vindt de rechter een billijke vergoeding? Kan dat ook nihil zijn of een symbolisch bedrag? Is het in het licht van de nieuwe wetgeving tijd om van de nu gebruikelijke gang van zaken af te stappen?

De tweede mogelijkheid is dat de billijke vergoeding wordt vastgesteld door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De vergoeding geldt voor een specifieke branche en voor een bepaalde periode.  De Minister gaat alleen over tot vaststelling op gezamenlijk verzoek van een in de desbetreffende branche bestaande vereniging van makers en een exploitant of een vereniging van exploitanten. Het verzoek bevat een gezamenlijk gedragen advies over wat als een billijke vergoeding te beschouwen is en een duidelijke afbakening van de branche waarop het verzoek betrekking heeft. De vereniging van makers zou de BNA kunnen zijn. Het lastige van deze bepaling is dat het moeilijk in te denken valt welke exploitant of vereniging van exploitanten bereid is om dit gezamenlijk verzoek in te dienen. De belangen van beiden is immers tegengesteld.

Gelet op het feit dat de Minister hierbij ingrijpt in de vrije prijsvorming, en derhalve mededingingsrechtelijke consequenties heeft,  zal de Minister alleen tot actie overgaan als sprake is van een  dringende reden van algemeen belang. Hiermee wordt bedoeld het belang van het behoud van de culturele diversiteit, of de toegankelijkheid van cultuur, of een doelstelling van sociaal beleid, of het belang van de consument. Dit zal dan ook gemotiveerd moeten worden aangegeven.

Naar mijn mening zou deze nieuwe regelgeving ook van toepassing  moeten kunnen zijn op het verrichten van ontwerpwerkzaamheden in de gunningsfase, of wanneer sprake is van een pitch waaraan wordt deelgenomen. Alhoewel er in die fase nog geen sprake is van het daadwerkelijk verlenen van exploitatiebevoegdheden op het werk zelf, is dit wel het expliciete doel bij het meedoen aan de betreffende aanbesteding of pitch. Ik ben dan ook benieuwd of deze nieuwe regelgeving ook voor architecten een uitkomst zal kunnen bieden en hoe daar in de praktijk mee om zal worden gegaan. Het ‘uitproberen’ van beide hiervoor beschreven mogelijkheden kan hierop het antwoord geven. Wie zet de eerste stap om vast te laten stellen wat een billijke vergoeding is?

Ruby Nefkens
nefkens@vandersteenhoven.nl
+31 (0)6 43 36 80 63

Aan de samenstelling en inhoud van dit artikel is de meeste zorg besteed. Ruby Nefkens en Van der Steenhoven advocaten aanvaarden geen verantwoordelijkheid ten aanzien van op basis van dit artikel genomen beslissingen, tenzij zij vooraf in concrete gevallen zijn geraadpleegd.

 

Contact opnemen met ons?
 

  +31 (0)20 607 79 79
 

  mail@vandersteenhoven.nl