de week van

de week van

Nicole Stalma, 20 juli 2017

Non-concurrentiebeding met concernbrede werkingssfeer, mag dat? 
De werknemer is sinds begin 2015 werkzaam bij een recruitmentbureau als Senior Recruitment Consultant. De werkgever behoort tot een concern van recruitmentondernemingen actief in diverse markten, waaronder de life science-branche. De werknemer werkt niet voor de life science-branche. De arbeidsovereenkomst bevat een uitgebreid non-concurrentiebeding, relatiebeding en non-sollicitatiebeding. Deze bedingen zien niet alleen op de werkzaamheden van de werkgever, maar ook op die van de aan de werkgever gelieerde ondernemingen (het concern). 

Er ontstaat een geschil zodra de werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd om aan de slag te gaan bij een onderneming die zich richt op recruitment in de life science-branche. De werkgever heeft aangegeven dat hij onder voorwaarden bereid is om het non-concurrentiebeding op te heffen. Omdat partijen hierover geen overeenstemming bereiken, start de werknemer een kort geding waarin hij schorsing van het non-concurrentiebeding vordert. 

De werknemer voert aan dat hij bij de nieuwe werkgever 30% meer zal verdienen, dat hij een relatief kort dienstverband had bij werkgever, dat er door de werkgever nauwelijks geïnvesteerd is in opleiding, en dat de werkgever geen belang heeft bij handhaving van het non-concurrentiebeding omdat de werknemer zich tijdens zijn dienstverband nooit heeft beziggehouden met de life science-branche. De werkgever voert verweer en stelt dat de overstap van de werknemer de concurrentiepositie van de nieuwe werkgever vergroot ten koste van die van de werkgever. Verder voert de werkgever aan dat wel degelijk veel in de werknemer is geïnvesteerd en dat hij ook veel kennis heeft opgedaan over de life science-branche. Door handhaving van het concurrentiebeding kan misbruik van die kennis worden voorkomen, aldus de werkgever.

De kantonrechter concludeert allereerst dat de oude en de nieuwe werkgever concurrenten zijn, omdat zij zich beiden bezighouden met werving en selectie. Bovendien strekt het non-concurrentiebeding zich ook uit tot ondernemingen die tot het concern van de oude werkgever behoren, waarbij ook recruitmentactiviteiten in de life science-branche worden verricht. Vervolgens komt de kantonrechter tot een belangenafweging. Voor de werknemer is sprake van een positieverbetering. Van aanzienlijke investeringen in de opleiding van de werknemer is onvoldoende gebleken. Ook heeft de werkgever onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de werknemer bij de uitoefening van zijn functie kennis heeft gekregen van concurrentiegevoelige informatie over recruitment in de life science-branche. De kantonrechter hecht verder waarde aan het feit dat de oude werkgever bereid was om het concurrentiebeding onder voorwaarden op te heffen. Hierdoor is niet aannemelijk dat de werknemer kennis heeft gekregen van concurrentiegevoelige informatie. Conclusie van de kantonrechter is dat de werknemer onbillijk wordt benadeeld omdat het non-concurrentiebeding zo ruim is geformuleerd dat het vrijwel onmogelijk voor hem is om bij een ander bedrijf actief op het gebied van recruitment in dienst te treden. De vordering tot schorsing van het non-concurrentiebeding wordt daarom toegewezen.

Het feit dat het non-concurrentiebeding ook ziet op andere ondernemingen binnen het concern van de werkgever leidt op zichzelf dus niet tot schorsing. Een dergelijke brede scope kan daarom de toets bij de rechter doorstaan. Daarbij is dan wel van belang in hoeverre de werknemer bij instandhouding van het beding nog elders aan de slag kan, en of de werknemer beschikt over concurrentiegevoelige gegevens over juist die andere ondernemingen binnen het concern.

Heeft u vragen over deze zaak of wilt u een non-concurrentiebeding opstellen of laten toetsen? Neem dan gerust contact op. 

Fijne week!

Nicole Stalma
stalma@vandersteenhoven.nl
+31 (0) 6 43 36 80 54
 

 

Contact opnemen met ons?
 

  +31 (0)20 607 79 79
 

  mail@vandersteenhoven.nl